STIN Stichting ICD-dragers Nederland

Gerard van Broekhuijsen (oktober 2015)

Dankbaar en weer strijdbaar

Als naoorlogs kind groeide ik op in een wereld vol technologische ontwikkelingen, veranderende gezagsverhoudingen, grote vrijheid en creatieve uitspattingen. Mijn ouders waren actief geweest in het verzet en hebben hun strijdbaarheid aan mij overgedragen.

Auteur: Gerard van Broekhuijsen

Tijdens een halfjaarlijkse bloeddonorkeuring ontdekte de onderzoekende arts een ruisje. ‘Niets om je zorgen over te maken, het is zuiver fysiologisch’, zei hij. Bij de volgende keuring adviseerde de keuringsarts mij ermee naar een cardioloog te gaan. Zo werd ik hartpatiënt met een verdikte tussenwand. Vanzelfsprekend kreeg ik medicijnen, onderging ik halfjaarlijkse controles en zo ging het jarenlang probleemloos verder.

Op een gegeven moment kreeg ik het benauwd. Via de huisarts kwam ik op de hartbewaking terecht en werd ik enige dagen ter observatie opgenomen. Ook moest ik 24 uur met een holter lopen om de hartritmeproblemen in kaart te brengen. Als docent lichamelijke opvoeding liep ik regelmatig bosloopjes met de leerlingen mee. Problemen heb ik daarbij nooit ondervonden totdat op een nieuwjaarsdag boezemfibrilleren optrad. Volkomen onregelmatig kwam dit boezemfibrilleren terug, maar het kon steeds worden gecoupeerd, aanvankelijk met medicijnen maar later met elektroshocks. Jarenlang ging dit zo door en het enige nadeel vond ik het plotseling buiten adem raken bij het aanzetten tot inspanning. Meestal trad dat zomaar zonder enige aanleiding op.

Hartoperatie

In 2004 ging ik, na een griepje waarna ik moe bleef, ter controle naar het ziekenhuis. Het ECG (elektrocardiogram, ‘hartfilmpje’) gaf een dreigend voorwandinfarct aan, wat inhield dat ik moest blijven en nader onderzocht werd. Na een mislukte dotterpoging via de lies onderging ik een open-hartoperatie en kreeg ik enkele bypasses.

Dinsdag 3 mei 2014 om plusminus 06.00 uur. Mijn vrouw werd wakker van mijn zwaar snurkende ademhaling en constateerde dat ik niet reageerde toen ze me aansprak. Snel belde ze 112. De centraliste instrueerde haar aan de lijn te blijven, de voordeur te openen en te starten met reanimatie. Binnen enkele minuten waren twee Velsense politieauto’s ter plaatse met een AED (Automatische Externe Defibrillator). Een van de politieagentes nam direct de reanimatie van mijn vrouw over terwijl de anderen de AED aansloten. Deze gaf direct aan een stroomstoot te willen toedienen. Er volgden er nog enkele.

De eerste ambulance kwam ter plaatse. Mijn dochter Karin was de chauffeur. De CPA (Centrale Post Ambulancevervoer) achtte het verstandiger dat zij haar moeder zou bijstaan, zodat ambulance 2 en 3 erachteraan kwamen. Ook de brandweer was inmiddels gealarmeerd voor hijswerk via de badkamer. Na het stabiliseren en het hijswerk werd besloten, gezien de te verwachten complicaties, met spoed naar de VU in Amsterdam te rijden. Aangezien door kaakklem een adembuis inbrengen niet mogelijk bleek, werd een trauma-arts door de traumahelikopter ingevlogen. Nabij het Rottepolderplein kon deze overstappen in de ambulance en mij een roesje toedienen, waardoor de adembuis wèl kon worden ingebracht.

In de VU was alles in gereedheid om de verdere behandeling te starten. Deze begon met mij in onderkoelde toestand te brengen. Zo zou de schade aan mijn lichaam – dat door mijn te slecht werkend hart te weinig zuurstof kreeg – zoveel mogelijk beperkt blijven.

Onzekerheid

Vier dagen bleef mijn familie in afwachting van de dingen die komen gingen. Er was na 5 mei wel enige communicatie, maar daarvan kan ik mij absoluut niets herinneren. Ik was onrustig en trok slangen en draden los. Enkele dagen heb ik vastgebonden gelegen. Mijn vrouw putte steeds hoop uit lichte vooruitgang, bijvoorbeeld een knipperend oog, maar de behandelend arts temperde haar enthousiasme steeds met de woorden: ‘Ja, als…’ Op 7 mei kon ik eindelijk op transport naar het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk, aangezien de ruimte in de VU weer nodig was voor andere patiënten. In Beverwijk bracht ik een nacht op de intensive care door en daarna ging ik op zaal aan de telemetrie.

Inmiddels stroomden de steunbetuigingen en beterschapskaartjes binnen, zodat de wand achter mijn bed een kleurrijk behangetje kreeg. De afzenders van de kaarten beseffen vaak niet half wat dergelijke ‘riemen onder het hart’ teweeg kunnen brengen. Emotioneel ben je toch na een hartstilstand al veel gevoeliger. Ik zeker!

Een hartkatheterisatie werd gepland om uit te zoeken wat de beste behandelmethode voor mijn hart zou zijn. Dat er blijkbaar zomaar plotseling hartritmestoornissen konden optreden, was niet zo’n prettig vooruitzicht. Een vernauwing werd gevonden, die gedotterd moest worden.

ICD-drager

Op 9 mei kreeg ik in het Medisch Centrum Alkmaar een dotterbehandeling met stent om de vernauwing in een van de kransslagaderen van het hart op te heffen. Op 19 mei mocht ik terug naar het VU medisch centrum voor een MRI-scan. Er werd besloten tot het plaatsen van een ICD. Mijn dochter mocht deze rit uitvoeren, gelukkig in minder stressvolle omstandigheden.

Een dag na het plaatsen van de ICD werd een controlefoto gemaakt om te kijken of de elektrode op de juiste plaats op de hartspier was vastgehecht en of bij het plaatsen geen schade aan vitale organen was ontstaan. Omdat alles in orde was, mocht ik weer naar huis, vanzelfsprekend met de nodige medicijnen en controleafspraken.

Emotionele worsteling

Als je dan op het journaal ziet dat in de Oekraïne een helikopter met veertien vaders wordt neergeschoten en de daders staan te juichen, vraag je je af hoe het zo bizar kan verlopen op één en dezelfde planeet! Ik stel mezelf sinds mei 2014 de vraag: ‘Ik zou hier niet meer kunnen zijn. Wat moet ik hier nog? Wordt er nog wat van mij verwacht?’ Ik ben dankbaar en langzaamaan ook weer strijdbaar!

Translate »